|
|
Programmabrochure Hulde aan onze weggevoerde kameraden [ADVN, D229]
| |
Oorlogslogica Het begrip oorlogslogica behoort niet tot onze standaardtaal. Dat kan verwondering wekken, maar het woord komt niet voor in het Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal, gemeenzaam bekend als de 'Van Dale'. Destijds sprak men overigens met diep ontzag over de 'dikke Van Dale', hij was opvallend dik en zwaar en in het bezit van weinig geletterden. Laat de oorlog dan al een "reden [hebben] die de rede niet kent", de verbinding met de logica wordt helemaal onaangenaam.1 De logica is bovendien vaak een oplossing voor alles wat men eigenlijk niet wil aanvaarden. En daardoor behoort de oorlogslogica in de feiten maar al te zeer tot de woordenschat die wij dag in dag uit hanteren en standaardiseren. Extreme reacties op paniek behoren tot die oorlogslogica. In De Abwehr en 'de verdachten van mei 1940' behandelt Etienne Verhoeyen een van de meest omvangrijke illustraties van dat verschijnsel in België. Het betreft de administratieve aanhouding van een groot aantal personen, Belgen en in België verblijvende Duitsers. Allen werden geacht de Duitse inval gunstig gezind te zijn en eventueel te zullen bevorderen. Door de drastische maatregel wilde men een net spannen over de veronderstelde aanwezigheid in België van Duitse spionnen of van Belgen die voor Duitsland spioneerden. Die 'spionitis' leidde tot de wegvoering van een deel van die verdachten naar interneringskampen in Frankrijk. De onmenselijke omstandigheden die heersten in die kampen en de aberraties zoals het bloedbad op 20 mei in Abbeville, zijn – aldus de auteur – ontsporingen die vandaag als oorlogsmisdaden zouden worden beschouwd. In Abbeville werden 21 personen zonder vorm van proces terechtgesteld door Franse militairen, zij behoorden tot een groep van 78 weggevoerden. Wie onder die achtenzeventig waren in werkelijkheid spionnen of op zijn minst personen die 'verdachte relaties' met Duitsland onderhielden? Die betekenisvolle onderzoeksvraag vormt de rode draad in de bijdrage van Verhoeyen, die daarenboven zijn focus richt op de wijze waarop – en de redenen waarom – de Duitse bezetter de belangen behartigde van de Vlaams-nationalisten onder de weggevoerden.
Het begrip strijd bezit uiteraard diverse dimensies en verschijningsvormen, naargelang het om een kamp mét of zonder wapens gaat. Maar beide kunnen elkaar tevens uitlokken en vergezellen en zelfs extreem versterken. Want, zo stelde de Brits-Hongaarse bioloog en essayist Arthur Koestler (1905-1983), "Het dodelijkste wapen in de handen van de mens is de taal. (…) De woorden van Adolf Hitler waren de krachtigste bewerkers van de vernietiging in hun tijd."2 Koestler fixeert zich begrijpelijkerwijze niet uitsluitend op het nazisymbool. Want "lang voordat de drukpers werd uitgevonden, ontketenden de woorden van de door Allah zelf verkozen Profeet een emotionele kettingreactie die de wereld van Centraal-Azië tot aan de kusten van de Atlantische Oceaan op haar grondvesten deed schudden."3 Uiteindelijk zal de auteur zijn analyse wel enigszins nuanceren: "Zonder woorden zou er geen poëzie zijn – en geen oorlog."4 Ergens tussen poëzie en wapens in bevindt zich meestal de woordenstrijd zonder wapens. Als die ongewapende strijd om taal en cultuur gaat, dan nemen wij daar in de Belgische geschiedenis sinds ruim anderhalve eeuw een reproductief patent op, ‘met dank aan’ de Vlaamse beweging en haar ambities op het vlak van opvoeding en onderwijs. Centraal in dat verbaal conflict functioneerden de principes van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs en van taalgebruik. Via de koppeling van beide principes, kon het vrij katholiek onderwijs zich – in tegenstelling tot het overheidsonderwijs – gedurende decennia onttrekken aan de toepassing van de taalwetten. Op die manier schoven zij de verticale beweging in de vernederlandsing van het onderwijs gedurende decennia voor zich uit. De conflicten escaleerden navenant.
In Een kwarteeuw strijd om een gedeeltelijke vernederlandsing van het katholiek middelbaar onderwijs. Jezuïeten en bisschoppen versus katholieke flaminganten. Verdere inzichten via een nieuwe bronnenpublicatie (1900-1906) richt Harry Van Velthoven de focus op de hierboven vermelde problematiek.5 Bij zijn analyse neemt Van Velthoven de toestand in het officieel middelbaar onderwijs als vertrek- en richtpunt. Die methodiek laat de lezer toe vast te stellen dat de strijd om het katholiek middelbaar onderwijs niet alleen een (interne) strijd was tussen katholieke flaminganten en hun kerkelijke overheid, maar tegelijk een strijd tussen het 'werkelijke land en het wettelijke land'.6 Van Velthoven komt daarenboven tot het besluit dat het conflict tegelijk "een cruciale ideologische breuk" betekende, "gepaard aan een bruusk deklerikaliseringsproces ten opzichte van de bisschoppen aan wie men het recht ontzegde nog pastorale gehoorzaamheid te eisen in wat men voortaan beschouwde als een vrije burgerlijke kwestie".
Enigszins tegenover diezelfde achtergrond van de interne spanningen onder katholieken in Vlaanderen, situeert zich Luc Vandeweyers Een Vlaamse krant en een Belgische partij. De visie van De Standaard-journalist Jozef Staels in december 1945. Ten opzichte van het voorgaande artikel betreft het natuurlijk een verschillende periode. Daarenboven zijn de actoren uitsluitend leken, die verwikkeld zijn in een strijd om invloed, macht en mandaten binnen de katholieke partij en de katholieke pers. De vrij onbekend gebleven Jozef Staels (1917-1996) behoorde tot de kern van de krant De Standaard. Die krant bezat een fout oorlogsverleden, zij had zich aangepast aan de bezettingsomstandigheden. Daardoor had zij na de oorlog twee stappen nodig om zich te kunnen rehabiliteren als het speerpunt van de nieuwe generatie Vlaamsgezinde katholieken die aan de basis zouden liggen van de stichting, de richting en de opgang van de Christelijke Volkspartij (CVP). De bron die door Vandeweyer wordt gehanteerd als ruggengraat van zijn verhaal is een brief die Jozef Staels richtte aan een zekere 'Berten'. Deze laatste is wellicht de economist, academicus en Standaard-journalist Albert Coppé (1911-1999). In de brief, die tevens was bedoeld om voorgelezen te worden aan de invloedrijke jurist en medestichter van de CVP Michiel Vandekerckhove (1909-2003), toont Staels zich erg kritisch tegenover het Standaard-milieu waarin hij fungeert. Liefst tweederden onder hen noemt hij onbekwaam of overbodig. Tegelijk maakt hij brandhout van de meerderheid van de boegbeelden onder traditionele katholieke politici en van sommige kerkleiders en geestelijke orden die de 'sociale democratie' tegenwerkten. Via die harde en directe formuleringen van Staels verwerven wij een beeld van de verschuivingen die toentertijd volop aan de gang waren binnen de brede katholieke strekking. Over het parcours dat Jozef Staels na deze opmerkelijke brief uit 1946 nog doorliep is nauwelijks iets bekend. Dus evenmin over de invloed die hij verder kon uitoefenen. Vandekerckhove en Coppé werden anderzijds bekende en gezaghebbende figuren binnen de katholieke politieke wereld. Coppé zou zelfs minister worden, vicevoorzitter van de EGKS (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal) en topman van de Generale Bankmaatschappij. Zowel Coppé als Vandekerckhove waren Vlaamsgezinden die zich verwijderd hadden gehouden van de collaboratie.
Frans-Jos Verdoodt Redactiesecretaris Wt
(1) Parafrase op Blaise
Pascal (1623-1662): "Le cœur a ses raisons que la raison ne connaît
pas", in: Pensées, postuum verschenen.
(2) A. Koestler, De menselijke
tweespalt, Kapellen, 1981, p. 19 (oorspronkelijke titel Janus: A summing up, London, s.d.
[1978]).
(3) A. Koestler, De menselijke
tweespalt […], p. 19.
(4) A. Koestler, De menselijke
tweespalt […], p. 19.
(5) De bijdrage vormt een
recensie-artikel, gesteund op L. Gevers, Jezuïeten, bisschoppen en
flaminganten. Documenten uit kerkelijke archieven over de controverse rond het
taalregime in het katholiek middelbaar onderwijs. 1900-1906, Brussel, 2008.
(6) K. Van Isacker, Werkelijk
en wettelijk land. De katholieke opinie tegenover de rechterzijde. 1863-1884, Antwerpen, 1955.
Inhoud
|