August Buisseret opent de universiteit van Elisabethstad op 11 november 1956. [FOD Buitenlandse Zaken]


Qui a raison contre tout le monde, a tort

Omstreeks het tijdstip waarop u dit leest, zijn al de belangrijkste middelpuntzoekende krachten van België reeds op bezoek geweest in Congo, de voormalige kolonie waarin zijzelf of hun voorgangers hebben 'gediend'. Het werd dus een (al of niet terechte) terugkeer in ouwe trouwe.
De vliegtuigen vanuit Zaventem naar de Afrikaanse terre-de-mémoire waren sinds februari van dit jaar dus behoorlijk gevuld: zakenlieden, ministers, militaire waarnemers, journalisten, alweer ministers, museumdeskundigen uit Tervuren en plantengeografen uit Meise, romanciers, artsen, politicologen, polemologen en nogmaals ministers. En ten slotte ook de koning van België, die ter plaatse nog moet gaan uitzoeken wie eigenlijk in 1960 de imposante sabel van zijn broer Boudewijn heeft gestolen.
Alleen missionarissen hebben wij niet zo duidelijk opgemerkt in het drukke komen-en-gaan, misschien omdat die meestal gewoon ginder zijn gebleven?
Vijftig jaren Congolese onafhankelijkheid en staatkundige vervreemding hebben natuurlijk veel gewist in ons collectief geheugen omtrent het reilen en zeilen in de oude kolonie. Onder het motto wat het ooit was, wat het is geworden en wat er komen zal, hebben de media duidelijk een inspanning geleverd om de dichtgeslibde groeven van onze herinneringen enigszins schoon te maken. Maar toch, haast nooit kwam de kern van de zaak aan bod, nl. het feit dat het 'Belgisch-Congo' van weleer van 1908 tot 1960 gewoon een integraal deel uitmaakte van de Belgische staat en dat de Belgische wetten er dus ook van toepassing waren, inbegrepen de wetten op het gerecht, het onderwijs enz.
'Waren' of 'hadden moeten zijn'? Want die politieke evidentie is voor de voorvechters van het Nederlands in de kolonie echter vooral een ware sisyfusarbeid geworden. En een boemerang die meestal op hun eigen hoofd terechtkwam. Wij hebben daarover in ons Wt-tijdschrift in het nabije verleden reeds enkele beklijvende, zeg maar soms aangrijpende studies gepubliceerd.1
Het werd daarbij bijna steeds het verhaal van Qui a raison contre tout le monde, a tort.2 Want behalve de strijdbare Vlamingen in Afrika en in België zelf, vond niemand in de wereld dat die Vlaamse taalactivisten het gelijk aan hun kant hadden. Mutatis mutandis klinkt dat discours vandaag overigens nog erg herkenbaar m.b.t. de taalstrijd in België anno 2010. Toch bleek er in 1956 een ogenblik aan te breken waarop het zware sisyfusblok plots over de berg van onbegrip en tegenkanting kon worden getild. In dat internationaal erg dramatische jaar – straatrevoluties in Hongarije en Polen, de Suezcrisis, de 'val' van Stalin – werd in Elisabethstad een 'rijksuniversiteit' geopend waar de Belgische taalwetten zo consequent mogelijk zouden worden toegepast. In scherp contrast hiermede, zou in Leopoldstad de 'katholieke', expliciet Franstalige Lovanium-universiteit verder blijven functioneren.
In De Universiteit van Elisabethstad (1956-1960). Arena van het laatste gevecht in Belgisch-Congo schetst Bert Govaerts nauwgezet de wijze waarop de Vlaamse elite erin slaagde om in Elisabethstad, de hoofdstad van de rijke kopenprovincie Katanga, hun academisch en emancipatorisch momentum af te dwingen. Maar uiteindelijk zou het hele project niet lang in de goede richting kunnen bollen. De politieke, economische en sociale chaos der late vijftiger jaren nekten enkele faculteiten en toen Moïse Tshombe in 1960 president werd van de onafhankelijk verklaarde republiek Kanatga, 'onteigende' hij de universiteit en schrapte het gebruik van het Nederlands.

Hoe betwist(baar) de uitspraak dat de taal gans het volk is ook moge worden geacht, men kan er niet omheen dat de taalproblematiek en de taalstrijd de ruggengraat vorman van de vele aspecten van de Vlaamse emancipatiebeweging: cultureel, sociaal, economisch, politiek. In de brief die Frank Seberechts in onderhavig Wt-nummer publiceert en annoteert (Een eenvoudig beginsel van rechtvaardigheid. Artsen en de taalwetgeving aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog), treden Vlaamse geneesheren naar voren die in het Nederlands werden gevormd aan de universiteiten van Gent en Leuven4 en die niet langer kunnen aanvaarden dat zijzelf en hun Vlaams-Brabantse en Brusselse collega's in het Frans moesten blijven communiceren met het Institut Pasteur in Brussel. Dat instituut werd sinds 1901 geleid door de Brusselse arts van Waalse afkomst, Jules Bordet (1870-1961). Aan die beroemde arts zou in 1919 de Nobelprijs Geneeskunde worden uitgereikt. Ook het bekende en hooggespecialiseerde kankerziekenhuis Bordet in Brussel zou later naar hem worden vernoemd.
De Vlaamse geneesheren die de handschoen opnamen tegen de internationaal gereputeerde J. Bordet en diens even gereputeerde Pasteurinstituut wilden door de toepassing van de taalwetten van 1932 "een eenvoudig beginsel van rechtvaardigheid" afdwingen. Zij behoorden tot het taalmilitante Doktersgild Van Helmont, dat sinds zijn oprichting Vlaamse dokters uit Brussel en omgeving groepeerde en motiveerde voor de Vlaamse zaak. De vereniging wordt genoemd naar de in Vilvoorde overleden Brusselse geneesheer en scheikundige Jan-Baptist Van Helmont (1579-1644).
Het te rechter tijd baanbrekende scheikundige werk van de arts Van Helmont werd tijdens de negentiende eeuw fel bestreden, o.m. door Louis Pasteur (1822-1895).5 Maar de Vilvoordse arts en geleerde werd ook bekend en gerespecteerd als een pionier op het vlak van de voluntaristische sociale zorgverstrekking. Ook het huidige Van Helmontgild is overigens actief op het vlak van het (Nederlandstalig) zorgnetwerk in Brussel.

De belangstelling voor de fenomenen van natie en natievorming was traditioneel vooral een voorbehouden terrein voor auteurs die zelf betrokken partij waren en vaak meer belang hechtten aan hun eigen statuut van "Selbstversorger" dan aan dat van "Selbstverleugnung" ten bate van de historische wetenschap. Maar sinds enkel decennia wordt dat belangstellingsveld op exponentiële wijze verkend daar academici. Die steeds breder uitwaaierende belangstelling van academici en academische milieus is uiteraard het vruchtbare gevolg van de combinatie van openheid en dynamiek bij diverse actoren op het terrein van de eigen 'vaderlandse' geschiedenis. Maar het verschijnsel hangt natuurlijk ook samen met de algemene democratisering van het academisch onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek. Ook de institutionele ontwikkelingen in België/Vlaanderen vervullen daarbij een zekere rol.
Niet alle actoren in dit dynamische veld geven blijk van een wil tot synergie en multidisciplinaire samenwerking. Soms treden zelfs de aloude ideologische en maatschappelijke breuklijnen naar voren. Wt-auteur Els Witte leidt met de vaststelling over die onvolkomen samenwerking trouwens haar bijdrage Natievorming onder Willem I. Een blik op de historiografie in. Maar zij doet dat wel met een knipoog naar het aloude en vruchtbare principe van het samen-sterk. Het betreft hier immers een steriele discussie die wij maar beter kunnen opheffen door "aandacht te schenken aan elkaars benaderingen en resultaten (…) Al wie de probleemstelling uit [een] betrokken periode bestudeert is daarbij gebaat."

Zoals hierboven reeds werd aangegeven, handelt Els Wittes uiteenzetting dus over de natievorming onder Willem I en vooral over de wijze waarop die thematiek haar plaats vond in de historiografie. De auteur biedt een stand van de bronnen aan en besluit dat het gaat om een vrij lange historiografische traditie, waarbij het laatste woord nog lang niet kan worden uitgesproken.

Frans-Jos Verdoodt
Redactiesecretaris Wt


(1) Cf. B. Govaerts, Wilfried Borms in Belgisch-Congo. Een eenmansgevecht voor het Nederlands in de kolonie?, in: Wetenschappelijke tijdingen (Wt), jg. 66, 2007, nr. 1, pp. 6-33; B. Govaerts, De zaak van Rechter Grootaert en de strijd om het Nederlands in Belgisch-Congo. Een symbooldossier uit de jaren vijftig, in: Wt, jg. 67, 2008, nr. 1, pp. 7-46; L. Vandeweyer, Scheutist, linguïst en etnoloog Leo Bittremieux. Zijn visie op wetenschappelijk taalgebruik in 1910-1914, in: Wt, jg. 68, 2009, nr. 2, pp. 174-194.
(2) Wie gelijk heeft tegen de mening van de gehele wreld in, heeft ongelijk, toegeschreven aan de Franse politicus Honoré De Mirabeau (1749-1791).
(3) De Congelese staatsman Moïse Tshombe (1919-1969) riep in 1960 de onafhankelijkheid van Katanga uit en was er president tot 1963, toen UNO-troepen de onafhankelijkheid hadden teniet gedaan. Tshombe was nadien nog een jaar lang premier van de Republiek Congo, geraakte in onmin met het regime, vluchtte naar het buitenland, werd ontvoerd en kwam in 1969 in onduidelijke omstandigheden om het leven in Algerije.
(4) Tegen het midden van de dertiger jaren van vorige eeuw warden de medische opleidingen in Gent en Leuven volkomen vernederlandst. Aan de Université libre de Bruxelles (ULB) werden tijdens diezelfde periode ook wel cursussen gedoceerd die aan artsen de kans boden om hun praktijk in het Nederlands uit te voeren.
(5) Zie J.B. Quintyn, Historische opmars van de techniek, Gent, 1963, pp. 114-115.



Inhoud